Bijgewerkt 16 januari 2011

i
Keurrapport

De keurmeester heeft tot taak elke hond individueel te bekijken, te beschrijven en afrondend een kwalificatie toe te kennen. Bij het beschouwen zet de keurmeester de hond die voor hem (of haar) staat in gedachten af tegen het ideaalbeeld van dat ras. Dat ideaalbeeld staat beschreven in de standaard.
Via de Schrijver (man of vrouw die namens de keurmeester zijn visie op papier zet) wordt een kort en krachtig keurrapport geschreven. De bijzonder goede punten van de hond, indien aanwezig, moeten er in naar voren komen, maar ook de mindere, als die in de kwalificatie tot uitdrukking zullen komen. De verslagen dienen onderling met elkaar in balans te zijn. De beoordeling van de hond die beste van het ras zal worden moet belangrijker pluspunten en minder minpunten bevatten dan die van de hond die ongeplaatst de ring uit zal gaan. Dat vergt van de keurmeester dus concentratie en systematiek.

Elk keurrapport wordt afgesloten met een kwalificatie. De keurmeester heeft op grond van het Kynologisch Regelement vier mogelijkheden: uitmuntend, zeer goed, goed, en matig, Of eigenlijk vijf, want hij kan ook diskwalificeren.

Uitmuntend (U) is voor honden die in zo sterke mate aan de standaard voldoen dat een geringe afwijking of kleine fout het ideaalbeeld niet stoort. Deze honden hebben de kwaliteit om in aanmerking te komen voor een kampioenschapsprijs.

Zeer Goed (ZG) is voor honden die eveneens aan het standaard voldoen, maar een enkele onvolkomenheid hebben die het ideaalbeeld verstoort.

Goed (G) is voor honden die voldoen aan de standaard, maar verschillende afwijkingen van het ideale rasbeeld, of een ernstige fout vertonen.

Matig (M) is voor honden die in geringe mate aan de standaard voldoen of een zeer ernstige fout vertonen.

Honden die niet aan de standaard voldoen of een in de standaard genoemde diskwalificerende fout vertonen, kan de keurmeester de kwalificatie onthouden, oftewel diskwalificeren.

Ieder die zijn hond showt weet dat je van tevoren nooit zeker weet hoe je het er in de ring van zult afbrengen. Het algemene kwaliteitsniveau van de hond zal door de meeste keurmeesters wel op ongeveer gelijke wijze worden onderkend, dus een en dezelfde hond zal overwegend met een U of overwegend met een ZG worden beoordeeld.

Maar toch zijn uitschieters naar boven of onder altijd mogelijk. Eigenaars van honden die consistent G of M scoren zullen het showen meestal na een paar keer voor gezien houden, maar een keer een G krijgen kan de beste hond wel eens overkomen.

Keuren heeft een objectieve basis: de standaard van het ras. Die geeft aan iedere keurmeester (net als aan iedere fokker) de enig juiste richting aan. Maar de standaard kan op punten voor verschillende uitleg vatbaar zijn. Bovendien is keuren zonder subjectief oordeel niet mogelijk. Geen hond is namelijk volkomen identiek aan de standaard. Dus er moet steeds een afweging worden gemaakt welke er het dichtste bij in de buurt komt, en wie daarop volgt, enzovoorts.

De keurmeester heeft per hond enkele minuten om tot een oordeel te komen. Het hangt van de persoonlijke invalshoek, de kennis van en de connectie met het ras af waar hij de nadruk op legt en dus hoe zijn opinie en keuze uitvallen. Keurmeesters die voor diverse rassen bevoegd zijn en geen persoonlijke ervaring hebben met het ras, hebben vaak een goed oog voor algemene kynologische aspecten als bouw en gangwerk, of ze zijn extra attent op door de rasvereniging aangedragen aandachtspunten. Keurmeesters die als succesvolle fokker of toegewijde liefhebber het ras vanuit eigen ervaring kennen leggen het accent op rasspecifieke details waar zij zelf alert op zijn. Beide benaderingen hebben hun waarde voor het ras.